Zoon al failliet toen vader overleed
De vader had in zijn testament zijn zoon en dochter tot erfgenamen benoemd, waarbij een tweetrapsmaking was opgenomen. Hierdoor zou onder andere bij faillissement of schuldsanering het erfdeel automatisch doorschuiven naar de kleinkinderen. Op het moment dat vader overleed, was de zoon al failliet verklaard. De bewindvoerder stelde vervolgens dat de zoon aanspraak moest kunnen maken op zijn volledige legitieme portie. Het hof oordeelde eerder nog dat de zoon wel erfgenaam was geweest, maar dat zijn verkrijging door de werking van de tweetrapsmaking uiteindelijk nihil waard was. Daarom zou op grond van artikel 4:71 BW de volledige legitieme portie alsnog kunnen worden opgeëist. De Hoge Raad corrigeert dit uitgangspunt nu. Een tweetrapsmaking werkt alleen als de voorwaarde op het moment van overlijden nog onzeker is. Omdat in dit geval de voorwaarde bij overlijden van de testateur al was vervuld, heeft de zoon dus nooit geërfd, aldus de Hoge Raad.

Nadere invulling artikel 4:71 BW

De Hoge Raad zei nog meer, en wel over de werking van artikel 4:71 BW. Dit artikel zegt dat de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, in mindering komt op zijn legitieme portie. Daarbij mag volgens deze uitspraak van de Hoge Raad niet zomaar blind worden gekeken naar de nominale waarde van een erfrechtelijke aanspraak. De aan een verkrijging verbonden voorwaarden kunnen een waardedrukkend effect hebben en moeten worden meegenomen bij de waardering. Anders zou een legitimaris mogelijk minder ontvangen dan waarop hij op grond van zijn legitieme aanspraak recht heeft.

Commentaar
Voor de praktijk betekent dit dat het bij testamenten met een tweetrapsmaking, voorwaarden of andere beperkte erfrechtelijke verkrijgingen niet langer vanzelfsprekend is dat er moet worden uitgegaan van de nominale waarde van de making. In plaats daarvan is juist de economische waarde leidend geworden.