Vaak is in testamenten de volgende erfstelling opgenomen: 1% voor de langstlevende en 99% voor de kinderen. Dit is geen blijk van wantrouwen. Deze erfstelling wordt namelijk doorgaans vergezeld door een afvullegaat ten gunste van de langstlevende. Dit geeft maximale flexibiliteit bij de verdeling van de nalatenschap; in combinatie met een quasi-wettelijke verdeling kan de langstlevende de boedel dan nog verdelen zoals hij of zij dat graag wil. Is de nalatenschap wat groter, dan is het voordeliger om de langstlevende niet meer toe te delen dan tot het bedrag van zijn of haar vrijstelling.
Het komt ook voor dat de langstlevende erft tot het bedrag van de partnervrijstelling, verhoogd met de 10%-schijf. Bij het eerste overlijden is dat voordeliger, als dit bedrag bij de kinderen in de 20%-schijf zou worden belast. Over twee overlijdens gemeten pakt dit toch duurder uit. Daar komt bij dat wanneer datgene wat de langstlevende erft, rendeert, dit rendement bij zijn of haar overlijden nogmaals wordt belast. Ook vanuit dat perspectief bezien is het beter om de langstlevende niet meer toe te delen dan het bedrag van de vrijstelling.