veehandelsregeling geen vrijstelling: intracommunautaire verwervingen niet vrijgesteld
Gepubliceerd op: 6 maart 2017
Een Nederlandse BV en een in Duitsland gevestigde BV vormen een fiscale eenheid. Beiden drijven een veehandelsbedrijf. De Nederlandse BV past de veehandelsregeling toe. De in Duitsland gevestigde BV levert vee aan de Nederlandse BV. De fiscale eenheid voldoet de btw over deze intracommunautaire verwervingen (icv). Zij maakt vervolgens bezwaar tegen de eigen btw-aangifte, omdat op de icv de btw-vrijstelling van artikel 17e Wet OB van toepassing zou zijn. Dat is onjuist, oordeelt de Hoge Raad. De met toepassing van de veehandelsregeling verrichte leveringen van vee zijn geen leveringen in de zin van artikel 17e Wet OB.
De Hoge Raad verwijst hiervoor naar de conclusie van Advocaat-Generaal Ettema. Zij stelt vast dat de Nederlandse BV weliswaar geen btw betaalt door de veehandelsregeling toe te passen, maar dat maakt van de levering nog geen vrijgestelde levering in de zin van de Wet OB. Daarvan moet sprake zijn om voor de vrijstelling voor intracommunautaire verwervingen (artikel 17e Wet OB) in aanmerking te komen. Of er moet bestaan recht op volledige teruggaaf. Ook dat is in deze zaak niet aan de orde.