een man was tot zijn uittreden firmant in een vennootschap onder firma (vof) met zijn zonen. de belastingdienst legt aan de vof grote naheffingsaanslagen btw op over de periode dat de man nog firmant was van de vof. vervolgens wordt de inmiddels uitgetreden (en overleden) man hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze onbetaald gebleven aanslagen. de zonen (erven) van de man stellen dat een voormalige firmant niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor deze belastingschulden. die stelling is onjuist, oordeelt de hoge raad. de wettelijke bepaling voor hoofdelijke aansprakelijkheid geldt ook voor een gewezen firmant.
de hoge raad oordeelt dat de hoofdelijke aansprakelijk terecht is, omdat dit in overeenstemming is met de strekking van de wettelijke bepaling voor hoofdelijke aansprakelijkheid (artikel 33, lid 1 iw 1990). hieruit moet worden afgeleid dat de hoofdelijke aansprakelijkheid de belastingschulden betreft die zijn ontstaan voor en in de periode dat de man nog firmant was van de vof. de aansprakelijkheid behoort dan niet te eindigen bij het uittreden van de firmant. bovendien blijft een vennoot ook na zijn uittreden hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die vóór zijn uittreden zijn ontstaan, op grond van artikel 18 wetboek van koophandel.