een stichting laat in 2013 zeven appartementen bouwen. zij trekt alle btw op de bouwkosten af. de appartementen worden in juli 2014 opgeleverd, waarna vanaf 1 augustus 2014 vier appartementen vrijgesteld worden verhuurd. de stichting voldoet in de btw-aangifte over het derde kwartaal 2014 alle afgetrokken btw, die is toe te rekenen aan de vier appartementen. vervolgens maakt zij daartegen bezwaar, omdat de herziening ineens op het moment van ingebruikname in strijd zou zijn met de btw-richtlijn. die stelling is onjuist, oordeelt de
hoge raad. hiermee oordeelt zij in lijn met het antwoord op de door haar voorgelegde prejudiciële vraag aan het eu-hof van justitie.