een exploitant van een theater en filmhuis brengt een entreeprijs in rekening die betrekking heeft op de voorstelling en op het gebruik van de garderobe en een pauzedrankje. daarnaast brengt hij per entreekaartje € 0,90 administratiekosten in rekening met een maximum van € 4,50 per bestelling. aanvankelijk past de exploitant 21% btw toe op de alcoholische drankjes. in september 2018 dient hij suppletieaangiften in, waarbij hij alsnog het 9%-tarief toepast op deze drankjes, waarna hij de te veel afgedragen btw terugontvangt. de inspecteur is echter van mening dat de exploitant toch 21% btw verschuldigd is over de alcoholische drankjes en legt naheffingsaanslagen op.
terecht, oordeelt rechtbank zeeland-west-brabant. de voorstellingen en het verstrekken van het pauzedrankje zijn twee zelfstandige prestaties. het pauzedrankje is geen bijkomende prestatie bij het toegang verlenen tot de voorstellingen. deze prestatie is namelijk niet zo nauw met de toegangsverlening verbonden dat splitsing kunstmatig is. ook maakt het pauzedrankje het bezoek aan de voorstelling niet optimaal. de gemiddelde bezoeker onderkent een afzonderlijk belang van het pauzedrankje ten opzichte van de toegang tot de voorstelling.