Oproepkracht krijgt extra steun in de rug van de Hoge Raad
Gepubliceerd op: 23 februari 2026
Een werknemer is werkzaam vanaf 1 juli 2021 tot 6 april 2023. De werknemer vordert nog achterstallig loon en beroept zich daarbij op artikel 7:610b BW: “Als een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.” De Hoge Raad oordeelt dat de gekozen referteperiode niet noodzakelijkerwijs onmiddellijk vooraf hoeft te gaan aan de periode waarop het verzoek ziet. Volgens de Hoge Raad kan de gekozen referteperiode ook gelegen zijn in een eerdere of latere fase van het dienstverband.
Slaagt de werknemer erin om aannemelijk te maken dat een bepaalde periode representatief is voor zijn structurele inzet? En stelt hij of zij daarbij ook dat de arbeidsomvang gedurende de gehele arbeidsovereenkomst gelijk is gebleven? Dan staat daarmee in beginsel de arbeidsomvang voor de volledige duur van de arbeidsovereenkomst vast. De werkgever moet in dat geval aantonen dat de arbeidsomvang in andere maanden wezenlijk anders lag.
Tip
Wees alert op situaties waarin oproepkrachten structureel worden ingezet, of werknemers structureel meer uren werken dan contractueel is afgesproken.