volledigheidshalve wijst de staatssecretaris daarnaast op het bestaan van de sociaal-culturele vrijstelling. deze vrijstelling ligt vast in artikel 11, lid 1, onderdeel f van de wet ob. hiervoor is een individuele aanwijzing nodig of een vermelding in de bijlage b bij het uitvoeringsbesluit omzetbelasting. daarin worden bijvoorbeeld amateurtoneelverenigingen, amateurmuziekverenigingen en carnavalsverenigingen genoemd.
antwoorden op vragen ongelijke behandeling volkscultuur
Gepubliceerd op: 17 juni 2019
de belastingdienst maakt geen onderscheid in de verschillende vormen van cultuur en culturele waarden bij de beoordeling voor de toepassing van het 9%-tarief. dat antwoordt staatssecretaris snel op kamervragen hierover. op sommige uitingen van volkscultuur, zoals bloemencorso’s, carnavalsverenigingen, harmonieën en schutterijen, zou het hoge btw-tarief van toepassing zijn, op andere cultuuruitingen het verlaagde btw-tarief. de staatssecretaris vindt de soort cultuuruiting geen criterium bij de beoordeling voor toepassing van het 9%-tarief. tabel i bij de wet ob 1968 geeft enkel een limitatieve opsomming van leveringen en diensten die voor het verlaagde tarief in aanmerking komen.