geen voorziening voor te onzekere transitievergoedingen
Gepubliceerd op: 9 mei 2019
een dga doteert eind 2014 ruim € 79.000 aan een voorziening voor te betalen transitievergoedingen. hij meent dat de maatschappelijke ontwikkeling laat zien dat werknemers niet meer hun hele leven lang bij dezelfde werkgever werken. daarom moet er volgens de dga mee rekening worden gehouden dat sommige werknemers hem vroegtijdig onvrijwillig zullen moeten verlaten. rechtbank noord-nederland oordeelt dat de voorziening niet voldoet aan alle voorwaarden van het baksteenarrest uit 1998. op 31 december 2014 bestaat er namelijk onvoldoende zekerheid dat de dga in de toekomst transitievergoedingen zal moeten betalen voor de werknemers die op dat moment bij hem in dienst zijn.
de drie voorwaarden uit het baksteenarrest op grond waarvan er een voorziening mag worden gevormd voor toekomstige uitgaven zijn:
de uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode voorafgaand aan de balansdatum;
die toekomstige uitgaven moeten ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend;
er moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen.
de stelling van de dga strandde op de laatste voorwaarde. de maatschappelijke ontwikkeling dat werknemers niet meer hun hele leven lang bij dezelfde werkgever werken, is daarvoor onvoldoende. de voorziening voor de transitievergoedingen is daarom terecht geweigerd.