een man woont al enige tijd in duitsland en krijgt een uitkering uit hoofde van een stamrechtpolis. deze polis is ontstaan als gevolg van het ontslag van de man in 2002 bij zijn toenmalige werkgever. de vraag is wie er belasting mag heffen over deze uitkering: nederland of duitsland? de beantwoording van de vraag moet plaatsvinden aan de hand van het belastingverdrag nederland-duitsland uit 1959. de
rechtbank oordeelt dat uit de stukken niet blijkt dat in het in 2002 de bedoeling was om met het stamrecht pensioenrechten te verstrekken of te verbeteren. en daarmee valt ook het doek; de uitkeringen kwalificeren als inkomen uit arbeid, waardoor nederland heffingsbevoegd is.