geen vrijstelling ovb bij splitsing om aandelenverkoop mogelijk te maken
Gepubliceerd op: 7 februari 2019
twee holdings bezitten alle aandelen in een dochter-bv die zij willen verkopen. een potentiële koper wil echter onder meer de onroerende zaken in de dochter-bv niet overnemen. de holdings besluiten om via een afsplitsing de onroerende zaken in de dochter-bv over te dragen aan een afgesplitste bv. vervolgens worden de aandelen in de dochter-bv verkocht aan de potentiële koper. de afgesplitste bv beroept zich op de splitsingsvrijstelling in de ovb (artikel 15, lid 1, onderdeel h wbr). die is niet van toepassing, oordeelt hof den bosch. de afgesplitste bv maakt niet aannemelijk dat de afsplitsing berust op zakelijke overwegingen.
de splitsingsvrijstelling in de ovb is niet van toepassing als de afsplitsing voor meer dan 50% is ingegeven door het ontgaan van belastingheffing. als de aandelen in de splitsende bv (hier de dochter-bv) binnen drie jaar worden verkocht, wordt aangenomen dat er onzakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de afsplitsing. het is dan aan de afgesplitste bv om aannemelijk te maken dat de afsplitsing wél op zakelijke motieven berust. daarin is de afgesplitste bv in deze zaak niet geslaagd volgens het hof.