een actrice geniet in 2013 winst uit onderneming en daarnaast inkomsten uit twee arbeidsovereenkomsten. de winst bedraagt € 18.017 en de inkomsten uit de dienstbetrekkingen zijn € 38.890. de actrice meent dat deze looninkomsten via absorptie kunnen kwalificeren als winst uit onderneming, waardoor ze recht heeft op de ondernemersaftrek. die stelling is onjuist, oordeelt rechtbank noord-holland. er kan slechts sprake zijn van absorptie van loon naar winst als de dienstbetrekkingen financieel en qua tijdsbesteding van ondergeschikte betekenis zijn ten opzichte van de inkomsten en werkzaamheden van haar onderneming.
in de zaak van een saxofonist van dezelfde datum oordeelt rechtbank noord-holland in gelijke zin. in beide zaken wordt ook het standpunt ingenomen dat het vertrouwensbeginsel zou zijn geschaad, omdat in eerdere jaren de kwalificatie van de looninkomsten als winst wel is gevolgd. dat de inspecteur in eerdere jaren – zonder expliciete standpuntbepaling – de kwalificatie als winst wél heeft gevolgd, is echter niet relevant.