een vrouw sluit een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur over verzwegen vermogen in de jaren 2001 tot en met 2013. de correcties worden in één navorderingsaanslag ib/pvv 2013 vastgelegd, waarbij over de jaren tot en met 2011 een vergrijpboete wordt opgelegd van 30% over de nagevorderde belasting. de vrouw is het niet eens met deze boete. zij meent dat de (gunstiger) oude inkeerregeling die gold op het moment van de beboetbare feiten, bepalend is voor de hoogte van de boete. dit standpunt is onjuist, oordeelt de hoge raad. het inkeermoment is bepalend voor welke inkeerregeling van toepassing is.
het toepassen van de nieuwe inkeerregeling op de periode vóór de aanscherping van artikel 67n awr leidt tot een zwaardere bestraffing dan op grond van de inkeerregeling ten tijde van de beboetbare feiten. dit zou in strijd zijn met artikel 7 evrm en 15 ibvpr. volgens de hoge raad is dit alleen het geval als er zou zijn ingekeerd vóór de aanscherping van de inkeerregeling. de inkeer heeft plaatsgevonden na de aanscherping van de inkeerregeling en na de daarbij gegeven overgangstermijn. de nieuwe inkeerregeling is daarom terecht toegepast.