Afbouw algemene heffingskorting partner zonder inkomen toegestaan
Gepubliceerd op: 19 april 2018
Een man en een vrouw vormen samen een eenverdienersgezin. Hij heeft inkomen, zij niet. In de aangifte IB claimen zij voor hun beiden de volledige algemene heffingskorting. Zij vinden namelijk dat de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de partner zonder inkomen in strijd is met het Europese recht en internationale verdragsbepalingen. Daarvan is geen sprake, oordeelt de Hoge Raad. De inmenging in het privéleven is niet onverenigbaar met artikel 8 EVRM. De versnelde afbouw van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner is ook niet in strijd met artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR, in samenhang met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.
Sinds 2009 wordt de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de partner zonder inkomen geleidelijk met 6,67% per jaar afgebouwd tot nul. Deze afbouw vindt plaats over een periode van 15 jaar. Dit betekent dat er in 2018 ten hoogste 33,33% van de algemene heffingskorting wordt uitbetaald aan de minstverdienende partner. De afbouw geldt niet voor belastingplichtigen die geboren zijn voor 1 januari 1963. Hier komt met ingang van 1 januari 2019 verandering in. Dan geldt de afbouw ook voor de minstverdienende partners die vóór 1963 zijn geboren. In 2023 is de zogenoemde ‘aanrechtsubsidie’ geheel afgebouwd voor alle leeftijden.