Twaalf verhuurders van woningen in de sociale sector betalen verhuurderheffing. Zij vinden echter dat deze heffing in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Daarvan is geen sprake, oordeelt Hof Amsterdam. Er is een eerlijke balans tussen het beoogde doel van de verhuurderheffing en de rechten van de verhuurders. Er is ook geen sprake van een individuele buitensporige last. Evenmin wordt het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel geschonden. De wetgever heeft voldoende rekening gehouden met het verschil in positie van particuliere verhuurders ten opzichte van woningcoöperaties.
De criteria van de verhuurderheffing zijn per 1 januari 2018 gewijzigd, waardoor particuliere verhuurders deze heffing mogelijk niet meer hoeven te betalen. Sinds 1 januari jl:
ligt de heffingsvrije voet bij 50 woningen (in 2017: 10);
geldt een vrijstelling voor rijksmonumenten;
is het tarief 0,591% van de gemiddelde WOZ-waarde van de woningen;
is de maximale grondslag voor de verhuurderheffing een WOZ-waarde van € 250.000.