onzekerheid over betaling kan niet leiden tot afwijzing aftrekrecht
Gepubliceerd op: 14 april 2017
Een man en een vrouw zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Hij heeft een metsel- en lijmbedrijf, maar wordt begin 2009 failliet verklaard. De vrouw start in april 2009 eenzelfde bedrijf. De man verzorgt haar administratie en de btw-aangifte. Hij heeft in 2008 al een perceel grond gekocht, waarop hij een woning met kantoorruimte wil laten bouwen. Na zijn faillissement verhuurt hij de grond aan zijn vrouw, die via haar onderneming de (af)bouw van de woning laat realiseren. Zij trekt de btw op de bouwkosten af en reikt voor het realiseren van de afbouw facturen uit aan de curator. De inspecteur heft de afgetrokken btw na. Ten onrechte, oordeelt de Hoge Raad. De onzekerheid over de betaling van een in rekening gebrachte vergoeding aan een failliet staat niet in de weg aan het recht op btw-aftrek.
De Hoge Raad geeft aan dat beperkingen van het btw-aftrekrecht alleen zijn toegestaan voor zover de Btw-richtlijn 2006 daarin voorziet. Zo is het aftrekrecht uitgesloten als:
goederen en diensten worden gebruikt voor vrijgestelde prestaties; of
worden gebruikt voor prestaties die niet onder de werkingssfeer vallen van de Btw-richtlijn; of
er sprake is van fraude of misbruik.
Omdat geen van deze gevallen zich voordoet, heeft de vrouw recht op btw-aftrek. Uit de Wet OB, noch uit de Btw-richtlijn, noch uit de rechtspraak van het EU-hof van Justitie kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat onzeker is of de door een ondernemer (de vrouw) bedongen vergoeding zal worden betaald, aan het recht op btw-aftrek in de weg staat.