Deze onroerende zaken zijn daarmee aan te merken als aanhorigheden die tot de woning behoren. Het hof acht hiervoor de volgende aspecten van belang:

  • de indeling als een klassiek boerenerf met op het voorerf een siertuin en woongebouw en daar niet ver vandaan een plaats voor grote schuren of stallen met daarachter het weiland of ruimte voor dieren;
  • de aanwezigheid van slechts één toegang tot alle percelen;
  • de organisatorische en functionele verbondenheid van de onroerende zaken;
  • het gebruik voor uitsluitend privédoeleinden. Dat de onroerende zaken naar hun aard en inrichting bedrijfsmatig gebruikt kunnen worden, is hiervoor niet van belang.