Een vso alleen maakt nog geen natuurlijke verbintenis
De overleden man had gedurende ongeveer anderhalf jaar een LAT-relatie met een vrouw. Na zijn overlijden sloten zijn twee zoons als erfgenamen een vaststellingsovereenkomst met haar. Daarin stond dat hun vader haar financieel had willen verzorgen, maar dat hij dit niet meer rechtsgeldig had kunnen regelen. De zoons betaalden daarom gezamenlijk € 500.000 en legden vast dat zij daarmee een natuurlijke verbintenis nakwamen. Vervolgens werd door de vrouw in de schenkingsaangifte een beroep gedaan op de vrijstelling van schenkbelasting voor betalingen die strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis.

Geen warme band, geen morele verplichting
Volgens het hof was het echter niet aannemelijk geworden dat de overleden man zelf een afdwingbare of voldoende concrete verzorgingsverplichting had willen creëren. Voor een natuurlijke verbintenis geldt een objectieve toets. De vraag is niet of partijen zélf vinden dat er sprake is van een morele verplichting, maar of de maatschappij die verplichting ook als zodanig zou zien? Zelfs een expliciete bepaling in een vaststellingsovereenkomst verandert dat niet.

Het enkele feit dat erfgenamen uit respect voor de wens van hun vader geld uitkeren, betekent dus nog niet dat sprake is van een natuurlijke verbintenis in fiscale zin. Ook de positie van de zoons hielp niet. Het hof keek nadrukkelijk naar hun eigen relatie met de partner van hun vader. Daaruit bleek geen bijzondere of warme band. Een gevoel van respect voor de overleden vader is volgens het hof onvoldoende. De zoons moesten zelf een dringende morele verplichting jegens haar hebben gevoeld én die verplichting moest ook objectief verdedigbaar zijn. Dat werd niet aannemelijk gemaakt. De betaling bleef daardoor een gewone belaste schenking.