De wetgever heeft er bewust voor gekozen om minder vermogende huizenkopers een duwtje in de rug te willen geven. Daarbij blijft de wetgever binnen de ruime beoordelingsvrijheid die hem toekomt.
Vergelijking met situatie bij Kerstarrest
De man stelt dat de wetgever bij het invoeren van een harde woningwaardegrens bij de startersvrijstelling OVB een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt tussen kopers van een woning waarvan de koopprijs net boven de woningwaardegrens uitkomt en kopers van een woning met een koopprijs net daaronder. Dit doet hij onder verwijzing naar het Kerstarrest inzake het box-3-stelsel. In zijn optiek betaalt de ene groep over de volle waarde van de woning OVB, terwijl de andere groep profiteert van de vrijstelling en niets betaalt voor de verkrijging van de woning. Een voetvrijstelling zou volgens de man rechtvaardiger zijn.
Vlieger gaat niet op
Volgens het hof gaat de vergelijking met het Kerstarrest niet op. Anders dan bij het box-3-stelsel heeft de wetgever er bij de vrijstelling OVB bewust voor gekozen om onderscheid te maken om een bepaalde groep starters te ondersteunen. De keuze voor een harde woningwaardegrens in plaats van een voetvrijstelling is in het licht van dit doel gerechtvaardigd. Daarnaast is de woningwaardegrens gebaseerd op de gemiddelde landelijke woningwaarde, die steeds wordt aangepast aan ontwikkelingen op de woningmarkt. Het afbakenen van de meer en minder vermogende groep starters is daarmee gebaseerd op een objectief aanknopingspunt.