Een dochter ontvangt in januari 1997 een schenking van haar moeder. Daarvan doet zij begin 1998 schenkingsaangifte. Daarin geeft zij niet aan dat zij - net als haar twee zussen - ook nog een deel van Zwitserse banktegoeden heeft ontvangen. Moeder overlijdt in 2004. In 2014 maakt een van de dochters gebruik van de inkeerregeling. De verzwegen schenking komt aan het licht en de inspecteur legt de dochter eind 2015 een navorderingsaanslag op voor het recht van schenking. De dochter stelt dat die te laat is opgelegd. Dat is onjuist, oordeelt Rechtbank Gelderland. De dochter heeft namelijk geen schenkingsaangifte gedaan van de banktegoeden. De navorderingstermijn van 12 jaar begint dan te lopen vanaf de dag van inschrijving van de overlijdensakte in de registers van de burgerlijke stand.
De dochter stelt dat de navorderingsaanslag wel te laat is opgelegd. Volgens haar is doorslaggevend dat zij in 1998 aangifte heeft gedaan van de schenking in 1997. Dat zij het onjuiste bedrag heeft aangegeven, is volgens haar niet relevant. Als er wel aangifte is gedaan, begint de navorderingstermijn van 12 jaar te lopen vanaf de dag na die aangifte. In dat geval zou de navorderingstermijn dus verjaard zijn. De rechtbank beslist echter dat die vlieger niet opgaat.