Opnieuw algemeen OVB-tarief voor verkrijging recreatiewoning
Gepubliceerd op: 19 maart 2026
Een vrouw koopt in 2024 voor € 100.000 een recreatiewoning en draagt ter zake van deze verkrijging € 10.400 overdrachtsbelasting (OVB) af. Hoewel de leveringsakte recreatief gebruik voorschrijft en permanente bewoning uitsluit, stelt de vrouw dat zij de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken. Zij meent daarom dat het lage OVB-tarief van toepassing is. De vrouw huurt echter sinds 2022 een kamer elders, waar zij ook in de basisregistratie personen staat ingeschreven. De inspecteur wijst het bezwaar tegen de voldoening op aangifte af. Hij meent dat de vrouw niet aannemelijk maakt dat zij de recreatiewoning duurzaam als hoofdverblijf gebruikt.
Hof Den Haag stelt voorop dat naar de omstandigheden moet worden beoordeeld waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. De bewijslast voor toepassing van het 2%-OVB-tarief ligt bij de vrouw. Zij moet aannemelijk maken dat de recreatiewoning haar centrale levensplaats vormt. Volgens het hof slaagt zij daar niet in. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden bepalend:
het aanhouden van de gehuurde kamer;
het vrijwilligerswerk dat zij daar verricht;
de kinderen en kleinkinderen die zij daar ziet;
de in het weekend gepinde kleine bedragen.
De vrouw heeft terecht het algemene OVB-tarief afgedragen voor de verkrijging van de recreatiewoning.