een man geeft in zijn aangifte ib 2021 box-3-vermogen aan. hiertoe behoren onder meer vorderingen op zijn kinderen met een lage rente van 1,5% per jaar en een verhuurde woning, waarop een leegwaarderatio van 67% is toegepast. de inspecteur stelt het forfaitair rendement vast op € 35.616, maar de man stelt dat het werkelijke rendement op de vorderingen op zijn kinderen lager is dan het forfait van 5,69%. de inspecteur licht tijdens de zitting bij de rechtbank toe dat het rentepercentage op de vorderingen onzakelijk laag is, omdat er geen zekerheden zijn gesteld. bij het vaststellen van het werkelijke rendement moet worden uitgegaan van een hoger rentepercentage.
rechtbank noord-nederland oordeelt dat bij het bepalen van het werkelijke rendement het werkelijke rendement van het gehele vermogen in aanmerking moet worden genomen – en niet slechts het werkelijke rendement van één vermogensbestanddeel. tot het werkelijke rendement moeten ook de waardestijging van de verhuurde woning en de ontvangen huurinkomsten worden gerekend. het werkelijke rendement over het gehele vermogen is dan hoger dan het forfaitaire rendement.