een verkoopmedewerker werkte sinds 1 januari 2016 als zzp’er voor een opdrachtgever, waar hij in 2022 in loondienst komt. naar aanleiding van een reorganisatie wordt de medewerker een vaststellingsovereenkomst aangeboden en kort daarna wordt hij ontslagen. de medewerker gaat naar de rechter. de medewerker stelt onder meer dat hij op 1 januari 2016 al een arbeidsovereenkomst had (schijnzelfstandige was). als die vordering wordt toegewezen, zou hij nog recht hebben op pensioenbijdragen van 16,8% van het brutosalaris voor de periode tot 2022.
in deze situatie oordeelt de rechter dat uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er inderdaad vanaf 1 januari 2016 sprake is van een arbeidsovereenkomst. de schijnzelfstandige bouwde vanaf die datum diensttijd op als werknemer. de rechter wees de gevorderde pensioenbijdragen echter af. daarbij overwoog de rechter dat pensioenopbouw een afspraak is tussen een werkgever en een werknemer, die in dit geval niet was gemaakt. er was geen pensioentoezegging en de werkgever was daartoe ook niet verplicht. de uitkomst in dit voorbeeld had anders kunnen zijn als er een bedrijfs- of beroepspensioenfonds zou zijn geweest, waarvoor een verplichtstelling geldt.