schenking aandelen aan zoon leidt tot vrijval hir – vertrouwensbeginsel niet geschonden
Gepubliceerd op: 22 mei 2025
een dga houdt de aandelen in een bv met een hir van € 1,3 miljoen. hij schenkt in oktober 2015 5% van deze aandelen aan zijn zoon. in 2016 vormt de bv een hir voor € 545.000, nadat een onroerende zaak is verkocht. op 2 augustus 2016 schenkt de dga de resterende 95% van de aandelen aan de bv van de zoon, waarna de zoon zijn 5%-aandelenbelang overdraagt aan deze bv. de inspecteur stelt op grond van artikel 12a wet vpb dat de hir op 2 augustus 2016 moet vrijvallen in de winst van de bv en dat er geen hir kan worden gevormd. de bv beroept zich op het vertrouwensbeginsel, omdat de inspecteur artikel 12a wet vpb feitelijk niet toepast in 2017, 2018 en 2019.
hof amsterdam stelt vast dat de inspecteur alleen in 2016 een expliciet standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de hir. dat hij de vpb-aangiften over 2017, 2018 en 2019 heeft gevolgd inclusief de daarin opgenomen hir, betekent niet dat hij daarmee een expliciet standpunt heeft ingenomen over de hir in die jaren. dat geldt ook ten aanzien van het feit dat de inspecteur in die jaren vragen heeft gesteld over de hir.
bij de bv kan daarom redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat de inspecteur zijn standpunt uit 2016 bij nader inzien onjuist heeft bevonden en daarop is teruggekomen. de hir en de dotatie van € 545.000 zijn met toepassing van artikel 12a wet vpb terecht toegevoegd aan de winst van de bv over 2016.