een vrouw drijft met haar man in firmaverband een melkveehouderij en opfokbedrijf. naast een woning en bedrijfsgebouwen staan op het erf ook een mestsilo, plaat/sleufsilo’s, een strooiselhok en er ligt erfverharding. de vrouw meent dat zij deze bouwwerken zelfstandig mag afschrijven tot op de restwaarde. de inspecteur meent dat deze bouwwerken aanhorigheden zijn bij de gebouwen, waarop slechts tot de bodemwaarde mag worden afgeschreven. die stelling is juist, oordeelt hof den bosch. voor de kwalificatie aanhorigheid is bepalend dat de bouwwerken ‘behoren bij, in gebruik zijn bij en dienstbaar zijn aan’ het gebouw.
de bouwwerken zijn volgens het hof aanhorigheden bij de bedrijfsgebouwen, omdat zij niet los kunnen worden gezien van het bedrijfsproces van het melkveebedrijf en opfokbedrijf. ook de erfverharding behoort bij de gebouwen, omdat daardoor de gebouwen en bouwwerken bereikbaar zijn.