Nieuws De turboverdeling - wanneer is dit voordelig en hoe pas je dit toe?

Als de eerste van twee gehuwde echtgenoten overlijdt en in het testament is de wettelijke verdeling uitgesloten of na het overlijden tijdig ongedaan gemaakt, ontstaat een onverdeelde boedel. In dat geval komt de turboverdeling in beeld. Wil je weten wanneer de turboverdeling voordelig is en hoe je deze toepast, lees dan dit artikel.

Hoe werkt de turboverdeling?

Als de eerste van twee in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten overlijdt, wordt de goederengemeenschap ontboden door het overlijden. Is in die situatie de wettelijke verdeling van toepassing[1], dan gaan alle bezittingen en schulden van rechtswege naar de langstlevende echtgenoot[2]. In dat geval is het onderwerp turboverdeling niet aan de orde; er is immers al verdeeld en wel ‘van rechtswege’. Als de wettelijke verdeling in het testament is uitgesloten of na het overlijden tijdig ongedaan is gemaakt, ontstaat een onverdeelde boedel. In dat geval komt de turboverdeling in beeld; we kunnen dan de verdeling van de goederengemeenschap zo manipuleren dat (een aantal van) de bezittingen niet voor de helft, maar voor het geheel aan de nalatenschap worden toegedeeld. Zodoende kan op deze bezittingen ook voor het geheel een vruchtgebruik worden gevestigd ten behoeve van de langstlevende[3] en kunnen de bezittingen in bloot eigendom worden toegedeeld aan de erfgenamen, bijvoorbeeld de kinderen.

[1] Dat is het geval als er geen testament is, dan wel een testament dat de wettelijke verdeling in stand laat.
[2] Aangenomen dat de wettelijke verdeling niet binnen drie maanden na het overlijden ongedaan is gemaakt.
[3] Uitgaande van een testament dat een zodanig legaat van vruchtgebruik bevat.

Wat is hiervan het beoogde resultaat?

Het resultaat dat wordt beoogd is dat waardestijgingen van de bezittingen waarop het vruchtgebruik wordt gevestigd, niet verder worden belast met erfbelasting. Ook kan het voorkomen dat de langstlevende echtgenoot geen lange levensverwachting meer heeft. In dat geval groeit de bloot eigendom veel sneller aan dan vooraf aangenomen. Dat zijn de gevallen waarin een vruchtgebruiktestament de meeste voordelen biedt. Als die omstandigheden zich voordoen, is het uiteraard voordeliger om het vruchtgebruik te laten rusten op 100% van de bezittingen dan op de onverdeelde helft daarvan.

Wordt hierbij dan niet de fictie van artikel 10 SW ingeroepen?

De fictie van artikel 10 SW wordt niet ingeroepen, mits de langstlevende bij de verdeling geen volle eigendom omzet in een genotsrecht. De Hoge Raad heeft bepaald dat hiervan geen sprake was in de situatie waarin het tot de gemeenschap behorende pand tot de nalatenschap werd gerekend[4]. Bij de toedeling van het pand aan de nalatenschap verkrijgt de langstlevende immers geen genotsrecht, maar een vordering voor 50% van de waarde van het pand. Nu de langstlevende geen eigendom omzet in een genotsrecht maar in een vorderingsrecht, kan artikel 10 SW niet worden toegepast. Nadat de goederengemeenschap is verdeeld, wordt het testament uitgevoerd. Daarbij wordt het legaat van vruchtgebruik gevestigd en afgegeven aan de langstlevende. Ook het meewerken aan de vestiging en de afgifte van dit legaat wordt volgens de Hoge Raad niet als een rechtshandeling gezien.

[4] HR 8 februari 1995, BNB 1995/105

Hoe werkt de turboverdeling uit bij een eigen woning?

Ook een eigen woning met eventueel een hypotheeklening kan worden toegedeeld aan de nalatenschap. Daarna kan een vruchtgebruik worden gevestigd op woning en lening en kan de bloot eigendom van beiden aan de kinderen worden toegedeeld. De vraag is dan hoe de woning en lening voor de inkomstenbelasting in aanmerking worden genomen. De staatssecretaris heeft hierover zijn standpunt gegeven; volgens hem is het vruchtgebruik maar voor 50% als een verkrijging krachtens erfrecht aan te merken[5]. Het gevolg daarvan is enerzijds dat de woning en lening voor 50% in box 1 en voor 50% in box 3 in aanmerking moeten worden genomen. Anderzijds betekent dit dat de woning slechts voor 50% wordt gedefiscaliseerd[6].

[5] Zie de brief van 16 september 2014, AFP 2014/806. In de literatuur (Blokland, van Vijfeijken) wordt dit standpunt bekritiseerd.
[6] Zie Compendium Estate Planning 6e druk, pag 333 tap: “Die defiscaliseringsregeling geldt echter alleen voor zover er sprake is van een verkrijging krachtens erfrecht”.

Wanneer ontstaat een turbovordering en -schuld en hoe worden deze in de heffing betrokken?

Als de hele goederengemeenschap aan de nalatenschap wordt toegedeeld en vervolgens voorwerp van vruchtgebruik wordt, ontstaat een turbovordering van de langstlevende op de nalatenschap. Nemen we even aan dat tot de gemeenschap enkel een woning behoort met een WOZ-waarde van € 500.000. De langstlevende krijgt dan een turbovordering van € 250.000, de nalatenschap krijgt de woning en een turboschuld van € 250.000. Vervolgens wordt op de woning en op de turboschuld een vruchtgebruik gevestigd ten behoeve van de langstlevende. Voor de heffing is van belang dat deze turbovordering en -schuld voor de inkomstenbelasting niet gedefiscaliseerd zijn[7]. De langstlevende wordt derhalve in box 3 belast over haar turbovordering van € 250.000. De kinderen kunnen de turboschuld in box 3 in aftrek brengen.

De bezittingen waarop het vruchtgebruik is gevestigd, worden echter wel gedefiscaliseerd en dus volledig aan de langstlevende toegedeeld[8]. De turboschuld zal dus vaker niet tot besparing van box 3-belasting leiden, terwijl de corresponderende turbovordering wel bij de langstlevende in box 3 wordt belast.

[7] Zie Compendium Estate Planning 6e druk, pag 333 tap: “Door de turboverdeling ontstaat een vordering van de langstlevende ouder op de kinderen in plaats van andersom”.
[8] Nemen we het standpunt van de staatssecretaris (zie noot 5) over, dan geldt deze defiscalisering in elk geval voor 50%.

Wat betekent dit voor onze uitvoeringspraktijk?

Op de eerste plaats verdient het aanbeveling om het ontstaan van een turbovordering en -schuld te voorkomen. Dat kan door de goederengemeenschap zo te verdelen, dat de langstlevende voor tenminste 50% van de waarde van de goederengemeenschap volle eigendom verwerft van andere bezittingen. Aan de nalatenschap worden dan alleen die bezittingen toegedeeld waarvan de grootste waardestijgingen zijn te verwachten. Op de tweede plaats dient men terughoudend te zijn bij het toepassen van de turboverdeling op de eigen woning. Afhankelijk van de waarde van de woning, de hoogte van de lening en van de verschuldigde rente hoeft de behandeling van de woning en lening voor 50% in box 3 niet perse nadelig te zijn. Per geval zal moeten worden beoordeeld of de eventuele IB-nadelen naar verwachting voldoende worden gecompenseerd door de voordelen in de erfbelasting.

Welke bezittingen lenen zich bij uitstek voor de turboverdeling?

Dat geldt voor verhuurde woningen. Deze worden voor de schenk- en erfbelasting forfaitair gewaardeerd op de WOZ-waarde gecorrigeerd met de leegwaarderatio. Als de langstlevende bijvoorbeeld 60-65 jaar is, bedraagt de waarde van het vruchtgebruik 60% en wordt de waarde van het bloot eigendom dus gesteld op 40% van deze -mogelijk al lage- forfaitaire waarde. De aangroei van bloot eigendom naar volle eigendom kan dan enorm zijn door deze stapeling van forfaits. En de turboverdeling verdubbelt dit resultaat nog eens.

Wat is tenminste nodig voor een turboverdeling?

In elk geval moet sprake zijn van een (beperkte of algehele) goederengemeenschap. Verder moet er een testament zijn met een vruchtgebruiklegaat. Tenslotte moet de boedel onverdeeld zijn. Daarvoor is het handig als in het testament is gekozen voor de quasi wettelijke verdeling. Ook handig is dat de langstlevende een erfdeel van 1% krijgt en eventueel een afvullegaat. Als aan de minimale vereisten is voldaan, kun je na het eerste overlijden in alle rust jouw cliënt adviseren om al dan niet met de ‘turbo’ te gaan verdelen.

Auteur:

Erik Tops

mr. Erik Tops
fiscalist | estate planner | trainer

013 - 513 00 95
e.tops@fiscount.nl