Nieuws - Formeel Recht De mogelijkheden omtrent de bewijslast in geval van btw-fraude

Ondernemers worden met enige regelmaat geconfronteerd met vragen en boekenonderzoeken van de Belastingdienst. Deze kunnen uitmonden in hoge naheffingsaanslagen met belastingrente en boeten. Dit kan ook bonafide ondernemers overkomen. Welke mogelijkheden op het gebied van de bewijslast hebben zij, om zich te verdedigen tegen hoge naheffingsaanslagen, belastingrente en boeten?

Wat is btw-fraude? Dit laat zich het beste uitleggen aan de hand van het volgende voorbeeld. Ondernemer A, een Nederlandse vennootschap, levert goederen aan B, een Duitse vennootschap, die de goederen levert aan C, eveneens een Duitse vennootschap. A verricht een intracommunautaire levering aan B in Nederland en B een intracommunautaire verwerving in Duitsland. B verricht vervolgens een levering in Duitsland aan C. De btw-fraude ontstaat doordat B de verschuldigde Duitse btw niet betaalt aan de belastingdienst, terwijl C die btw wel in aftrek brengt. Hierdoor wordt btw aan de schatkist onttrokken. Als A, B en C dit meerdere keren herhalen, is er sprake van carrouselfraude.

Wie heeft de bewijslast?

Aangezien het Unierecht niet voorziet in bewijsregels, moeten de EU-lidstaten deze regels zelf bepalen. Daarbij moeten de EU-lidstaten het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel waarborgen:

  • Gelijkwaardigheidsbeginsel: de bewijsregels mogen niet ongunstiger zijn dan de regels die er voor soortgelijke beroepen gelden op basis van nationaal recht.
  • Doeltreffendheidsbeginsel: de bewijsregels mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

Bovendien moeten de door het Unierecht gewaarborgde rechten, met name het Handvest, worden gerespecteerd. De inspecteur mag in een belastingprocedure dan ook gebruikmaken van bewijzen die zijn verkregen in een parallelle, nog niet afgesloten strafprocedure, mits de door het Unierecht en met name het Handvest gewaarborgde rechten worden gerespecteerd.

In de praktijk probeert de inspecteur btw-fraude te bestrijden door bij A in de eerste plaats toepassing van het nultarief te weigeren, en in de tweede plaats de aftrek met betrekking tot de inkoop van de goederen. Het nultarief wordt geweigerd, omdat A niet zou hebben aangetoond dat de goederen in het kader van de levering vanuit Nederland naar Duitsland zijn vervoerd. De aftrek wordt geweigerd, omdat A wist of had moeten weten dat hij betrokken was bij btw-fraude.

Bewijslast bij toepassing nultarief

Uit jurisprudentie volgt dat de bewijslast met betrekking tot toepassing van het nultarief bij de ondernemer ligt. Een ondernemer kan volstaan met aannemelijk maken. Een ondernemer hoeft daarmee niet te doen blijken (overtuigend aan te tonen) dat het nultarief terecht is toegepast. Met betrekking tot de door de ondernemer overgelegde boeken en bescheiden moet worden onderzocht of de daaruit voortkomende gegevens naar hun aard geschikt zijn om het vervoer naar een andere EU-lidstaat aan te tonen (aannemelijk maken). Bovendien moet worden onderzocht of de documenten geen gebreken vertonen. Ook moet rekening worden gehouden met boeken en bescheiden die op het moment van levering van de goederen niet in de boekhouding zijn vastgelegd, maar naderhand zijn overgelegd aan de inspecteur en/of de rechterlijke instantie.

Afhaaltransacties
Met betrekking tot afhaaltransacties geldt dat indien een ondernemer voldoet aan de voorwaarden van mededeling 38 (besluit staatssecretaris van Financiën), hij hieraan het vertrouwen mag ontlenen dat het nultarief terecht is toegepast. Als niet aan de voorwaarden van mededeling 38 wordt voldaan, mag de leverancier het nultarief toepassen. Dit mag alleen wanneer de afnemer door middel van objectieve gegevens heeft aangegeven om de goederen naar een andere EU-lidstaat te vervoeren en wanneer de afnemer een btw-nummer van deze EU-lidstaat heeft verstrekt. Bovendien mag de leverancier niet op de hoogte zijn van een eventuele levering door de afnemer aan een derde partij voordat de goederen de EU-lidstaat van vertrek hebben verlaten. Indien de leverancier toepassing van het nultarief bij afhaaltransacties aannemelijk heeft gemaakt, kan toepassing van dit tarief alleen in de volgende twee situaties worden geweigerd:

  • De inspecteur maakt aannemelijk dat de leverancier met de betreffende transacties actief betrokken is bij btw-fraude met die transacties.
  • De inspecteur maakt aannemelijk dat de leverancier met de betreffende transacties betrokken is geraakt bij btw-fraude met deze transacties, terwijl de leverancier niet aannemelijk kan maken dat hij redelijkerwijs niet had kunnen weten dat hij bij die btw-fraude betrokken zou raken. Om het nultarief op die grond te weigeren, is het vereist dat wordt vastgesteld: a) hoe de desbetreffende keten van leveringen was ingericht en welke plaats de ondernemer in die keten innam; b) in welke schakel(s) van die keten btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield; en c) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat die ondernemer wist of had moeten weten dat de btw-fraude plaatsvond in die keten. Deze criteria gelden ook voor andere intracommunautaire transacties dan afhaaltransacties.

Bewijslast bij weigering aftrekrecht

Het is vaste jurisprudentie dat de aftrek van voorbelasting kan worden geweigerd of kan worden nageheven van een ondernemer, die wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen. De bewijslast van deze wetenschap van de ondernemer ligt bij de inspecteur. De inspecteur moet hierbij hetzelfde toetsingskader hanteren als bij de beoordeling of toepassing van het nultarief kan worden geweigerd (zie hiervoor a, b en c). Uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat het voor een inspecteur niet eenvoudig is om aan deze bewijslast te voldoen. Dat geldt temeer omdat ondernemers voorzorgsmaatregelen kunnen nemen om de kans van slagen van de stelling van de hiervoor bedoelde wetenschap van btw-fraude in de keten van leveringen te beperken.

Omkering en/of verzwaring bewijslast

Zoals hiervoor uiteengezet is, ligt de bewijslast voor toepassing van het nultarief bij de ondernemer en moet de ondernemer de toepassing ervan in beginsel aannemelijk maken. De inspecteur kan onder omstandigheden ook de stelling innemen dat de bewijslast moet worden verzwaard. De ondernemer kan dan niet langer volstaan met aannemelijk maken en moet overtuigend aantonen dat het nultarief van toepassing. In de regel zal dat natuurlijk een zwaardere opgave voor een ondernemer zijn.

Hiervoor is ook uiteengezet dat de bewijslast van ‘weten of had moeten weten van fraude in de keten van leveringen’ in beginsel bij de inspecteur ligt. In deze situatie kan de inspecteur onder omstandigheden de stelling innemen dat de bewijslast bij de ondernemer moet komen te liggen en dat die bewijslast bovendien moet worden verzwaard. Omkering en/of verzwaring van de bewijslast is een ingrijpende maatregel in het nadeel van ondernemers. Om die reden moet er voor een succesvolle omkering en/of verzwaring van de bewijslast aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. In de jurisprudentie zijn voorbeelden bekend van zaken waarin het de inspecteur niet lukte om aan alle voorwaarden te voldoen.

Slot

Ondernemers kunnen worden geconfronteerd met hoge naheffingsaanslagen omzetbelasting, die gepaard gaan met belastingrente en boeten. Ondernemers doen er verstandig aan om zich in verband met deze naheffingsaanslagen, belastingrente en boeten te laten bijstaan door een deskundige op dit gebied. Indien nodig moet de naheffingsaanslag, beschikking belastingrente en boetebeschikking via een bezwaar- en/of beroepsprocedure worden aangevochten. Uit jurisprudentie zijn in ieder geval voldoende zaken bekend die voor ondernemers succesvol zijn afgelopen.

Auteur

Micha Soltysik

mr. Micha Soltysik
btw-specialist | trainer

038 - 456 19 00
m.soltysik@fiscount.nl